Paragraaf 2.4

De Hemelse voedselbank

2.4 Het spoedberaad in Jeruzalem

 

De vergadering in Jeruzalem vindt plaats als de eerste groepen heidenen tot geloof komen. Het huis van Cornelius was door de prediking van Petrus tot geloof gekomen. Zij hadden de Heilige Geest ontvangen en waren daarna ook gedoopt in water. Ook Paulus had zijn eerste zendingsreis voltooid en die reis had vrucht afgeworpen. Zowel Petrus als Paulus voeren het woord op deze vergadering in Handelingen 15.

 

Geen besnijdenis

Directe aanleiding tot dit spoedberaad is de besnijdenis. Moeten de heidenen besneden worden om tot Gods volk gerekend te kunnen worden of niet? Petrus en Paulus menen van niet, anderen juist wel. Dit punt lag zeer gevoelig! Alhoewel Petrus was overtuigd dat hij met onbesnedenen mocht eten, hij had immers een visioen gehad, huichelt hij als er Joden uit de groep van Jacobus in de buurt zijn. De aanhangers van Jacobus waren niet alleen voorstanders van de besnijdenis maar pasten ook het gebruik van de Mondelinge Leer toe dat je met onbesnedenen niet samen mocht eten. Om conflict te vermijden, gaat Petrus elders zitten. Paulus treedt tegen hem op. Petrus had het goede voorbeeld moeten geven en gewoon bij de heidenen aan tafel moeten blijven. Paulus zegt:

 

Maar toen Kefas (Petrus) in Antiochië was, heb ik me openlijk tegen hem verzet, want zijn gedrag was verwerpelijk. Hij at altijd met de heidenen, maar toen er afgezanten van Jakobus kwamen, trok hij zich terug en at hij apart, uit angst voor de voorstanders van de besnijdenis. De andere Joden deden met hem mee, en zelfs Barnabas liet zich meeslepen door hun huichelarij. (Gal.2:11-13)

 

Ook in Antiochië had het punt van de besnijdenis al geleid tot grote onenigheid (Hand.15:2). Tijdens de vergadering zelf ontstond opnieuw een hevige woordenstrijd (vs.7). Dan komt Petrus met een ijzersterk argument. God schenkt de heidenen de Heilige Geest terwijl ze onbesneden zijn! Dat betekent dat de heidenen niet alleen God aannemen maar dat God dat beantwoord met het geven van de Heilige Geest. God neemt hen dus aan. De liefde is wederzijds. De vervulling met de Heilige Geest is voor Petrus en de andere aanwezigen hèt bewijs dat God de heidenen aanneemt in onbesneden staat.

Voor Petrus was de vervulling met de Heilige Geest ook de directe rechtvaardiging geweest om Cornelius en anderen met water te dopen (Hand.10:44-47). De vervulling met de Heilige Geest was zo’n duidelijk zichtbaar teken dat niemand eromheen kon. Op basis daarvan wordt de besnijdenis voor de heidenen niet ingevoerd want God neemt hen aan in onbesneden staat. Allen zijn het hier over eens. Toch verwonderlijk dat een uiterst gevoelig onderwerp als de besnijdenis met dit ene argument helemaal wordt opgelost, en daarmee tevens het grootste probleem tussen Joden en heidenen.

 

De vier bepalingen

Maar er waren nog meer irritaties tussen de Joden en de heidenen in de kersverse gemengde gemeenten. Een logische volgende vraag is: ‘Als de besnijdenis voor de heidenen niet noodzakelijk is, hoe zit het dan met de rest van de Tora en hoe zit het met de Mondelinge Leer?’

De apostelen besluiten om betreffende de grootste problemen een zogenaamde apostolische brief rond te zenden met daarin hun gezamenlijk standpunt. De grootste problemen deden zich voor tijdens gezamenlijke maaltijden in de gemeenten en aan huis. Het is ook niet raar dat drie van de vier bepalingen over voedsel gaan. Dit zijn de vier besluiten in de apostolische brief (Hand.15:29):

- eet geen bloed

- eet geen vlees waar nog bloed in zit (het verstikte)

- eet geen vlees wat aan de afgoden is geofferd

- pleeg geen ontucht (met tempelprostituees)

 

Relevantie van de 4 bepalingen

Volgens sommige theologen worden alleen deze bepalingen doorgegeven aan de heidenen omdat het Noachistische bepalingen zijn. Dat zijn regels die God reeds aan Noach gaf en dus gelden voor de gehele mensheid omdat Noach stamvader is van alle volken. Daarentegen zijn de bepalingen op de Sinai alleen aan Israël gegeven.

Dat is een redenering die ik niet deel. Het verbod op bloed en het verstikte zou inderdaad ontleent kunnen zijn aan Genesis 9 vers 4 waar God aan Noach eigenlijk een soort slachtvoorschrift geeft, maar God zegt tegen Noach niets over offervlees en ontucht. Bovendien is Noach duidelijk op de hoogte van reine en onreine dieren (zie 1.2). Dus als je aan Noachistische bepalingen hecht, zou het rein/onrein principe daar ook toe behoren. Ik vind het onderscheid tussen Noachistische en Sinai bepalingen niet zinvol. Vanaf het eerste begin heeft God met de mens gecommuniceerd. Hij heeft in de loop van de tijd allerlei relevante zaken aan de mens geopenbaard waarbij er sprake is van voortschrijdende openbaring naarmate de tijd vorderde. Adam kreeg openbaring, Noach, Abraham en uiteindelijk is op de Sinai veel op schrift gesteld. In paragraaf 1.5.1 ben ik hier al op ingegaan.

Alle vier de bepalingen zijn terug te vinden in de Tora. De eerste twee bepalingen, het bloed en het verstikte, zijn in 1.5.3 behandeld. Afgodenoffers en de daaruit voortvloeiende maaltijden en tempelprostitutie waren normale heidense rituele handelingen als onderdeel van de afgodendienst. Voor de tot geloof gekomen heidenen waren dit gewoonten uit hun oude godsdienst. Met deze gewoonten moeten ze dus stoppen want ze gaan duidelijk in tegen de Tora. Het eerste gebod van de tien Woorden luidt:

 

Vereer naast mij geen andere goden. (Ex.20:3)

 

Maar ook in Exodus 34 vers 15 verbiedt God specifiek het eten van offervlees. Sinds de Sinai is het volk op dit punt diverse malen verleid om deel te nemen aan offerfeesten (o.a. Num.25:2). De vierde bepaling uit de brief, ontucht met een tempelprostituee, staat duidelijk in het zevende gebod van de tien Woorden:

 

Pleeg geen overspel. (Ex.20:14)

 

Kenmerkend voor de periode van het ontstaan van de eerste gemeenten was de het gegeven dat de Joden en de heidenen samengevoegd werden in het Lichaam van Christus. Deze nieuwe gemeenten waren mixgemeenten met alle gevolgen van dien. De Joden, die door hun verbanning onder de heidenen woonden, hadden hun levensstijl gebaseerd op de Tora. De heidenen hadden een levensstijl gebaseerd op hun afgodendienst. De verschillen waren zeer groot en onverenigbaar. Uiteraard leidde dit binnen de gemeenten tot confrontaties.

Daarom zijn de bepalingen van de Jeruzalemse vergadering zo relevant. Voor de Joden was consumptie van bloed, offervlees en het verstikte een heikel punt. De apostelen besluiten om de heidenen op te leggen, hierin de Joden tegemoet te komen. Het is de vraag wat de apostelen hierbij motiveert. Is de brief de enige juiste toepassing van de Tora of is het de bedoeling om de grootste ergernissen tussen Jood en heiden weg te nemen ten einde wat rust in de gemeenten te hebben? Als we verdergaan in het nieuwe testament ontdekken we dat het verbod op offervlees minder strak ligt dan in deze brief (zie 2.5.1). Wat betreft ontucht, consumptie van bloed en het verstikte lees je nadien geen wijzigingen meer.

 

Wat doen wij met de bepalingen van de Jeruzalemse vergadering?

Ik laat de bepaling over ontucht buiten beschouwing en zal mij beperken tot de drie bepalingen over voeding.

 

1    Eet geen bloed.

Veel christenen eten uit principe geen bloedworst en dat is een terechte interpretatie van dit voorschrift. Daarnaast past een Jood nog een ander gebruik toe. Als vlees niet volgens hun voorschriften is geslacht, wordt het in een zoutoplossing gelegd zodat het restant bloed alsnog uittreedt. Moeten wij dit ook doen? Ik denk het niet. In 1.5.3 heb ik hier al over geschreven. De specifieke manier van koosjer slachten is een heel goede manier die uit de traditie van de mondelinge Leer komt. De Tora zelf zegt weinig over de wijze van slachten dan alleen dat het bloed zo snel mogelijk moet weglopen. Als vlees op de gebruikelijke Nederlandse wijze geslacht wordt, gebeurt dit ook.

 

2.   Eet geen offervlees.

De apostolische brief zegt duidelijk “nee” tegen offervlees. Later zien we bij Paulus een “ja, mits…. “. Paulus behandelt het probleem van offervlees in de brief aan de gemeente Korinthe. Deze brief bespreek ik in paragraaf 2.5.1.

 

3.   Onthoudt u van het verstikte.

In het oude testament waren we het verstikte al tegengekomen als uitzondering tijdens de woestijnreis. God had strenge regels gegeven over het weglopen van bloed tijdens het slachten, maar blijkbaar was het verstikte onder bepaalde omstandigheden toegestaan (zie 1.5.3). De rabbijnen hebben de Tora dusdanig geïnterpreteerd dat de Joden sinds de vestiging in het beloofde land geen verstikt vlees eten tot op de dag van vandaag. De methode van de Joden om niet-koosjer geslacht vlees gedurende een aantal uren in een zoutoplossing te leggen, wordt niet toegepast op verstikt vlees. Voor hen is het verstikte altijd onrein. Het zou kunnen dat het voor ons anders ligt maar volgens de Jeruzalemse vergadering moeten we hierin de Joden volgen om hen niet te ergeren.

En als er geen Joden zijn die zich aan jou ergeren, ben je dan vrij om het verstikte te eten? Ik geef mijn mening. Ik ga hierin mee met de rabbijnen. In het oude testament was het verstikte een uitzondering. Het kon gebeuren dat iemand een dier al dood in het veld aantrof. Ervan eten betekende wel dat je onrein werd! De uitzondering gold niet voor de jacht. Tijdens de jacht, liet de jager het bloed ter plekke weglopen (Lev.17:13). Dat doen onze hertenjagers niet. Zij laten het bloed expres niet weglopen maar inwendig verbloeden. Het hert wordt dus bewust verstikt. Dat is niet in de geest van de Tora. Pas ik de geest van de Tora toe, dan is de toepassing voor de jacht ongeldig. Pas ik de letter van de Tora toe, dan zou het verstikte zo nu en dan kunnen, mits van een rein dier. De geest geef ik voorrang boven de letter.

 

En de rest van de Tora?

Over de toepasbaarheid van de Tora in het nieuwe verbond schrijf ik uitgebreid in paragraaf 4.3. In de apostolische brief komt de rest van de Tora gewoon niet aan de orde. In de brief geven de apostelen richting aan de ergste hindernissen in de gemeenten waarbij de besnijdenis zonder twijfel de belangrijkste was. Verder noemen ze het strikt noodzakelijke (vs.28) dat voorlopig voldeed. Zo was het mogelijk om als Joden en heidenen binnen één gemeente met elkaar te leven. Maar, …

 

Het zou naïef zijn te stellen dat met deze vier bepalingen de heidenen in staat waren een geheel christelijke levensstijl te ontwikkelen.

 

Alsof de heidenen wel mochten stelen, vloeken of met een dier gemeenschap mochten hebben! Natuurlijk niet! Bedenk dat de heidenen geen enkel zicht hadden op Gods norm en de daaruit voortvloeiende levensstijl. Jacobus besluit de vergadering met een opvallende uitspraak.

 

In haast elke stad wordt de wet van Mozes immers al sinds mensenheugenis verkondigd en op iedere sabbat in de synagogen voorgelezen. (Hand.15:21)

 

Door de vervolging en de verstrooiing van de Joden over de aarde waren er op bijna alle plaatsen in het Romeinse rijk synagogen. Daar werd het Oude Testament, de Tenach, voorgelezen. Gods norm was alleen bekend bij de Joden. Omdat de Joden thuis geen Tenach hadden, hoorden ze hieruit alleen tijdens de voorlezing in de synagogen.

Nu de heidenen tot geloof komen, zullen zij dus de synagogen gaan bezoeken. De vroeg-christelijke gemeenten waren Joods en kwamen aanvankelijk samen in de synagoge op de sabbat. De heidenen hadden veel onderricht nodig. Zij kwamen immers uit het heidendom. De enige manier wat zicht op Gods norm te krijgen, was het oor te luisteren leggen bij de Joden. Hun gang naar de synagoge betekende dat zij onderricht ontvingen over de wet van Mozes. Mijn interpretatie van de hierboven geciteerde tekst is dat Jacobus bedoeld dat de heidenen in de synagogen over de brief en de rest van de wet wel onderwezen zullen worden. Jacobus vertrouwd erop dat de heidenen ‘nazorg’ ontvangen binnen het Jodendom. Tegelijk stelt hij de vergadering gerust door aan te geven dat de wet van Mozes evenwel tot zijn recht komt omdat die overal wordt gepredikt.

 

Nog onderscheid tussen rein en onrein voedsel?

In de Jeruzalemse vergadering en de daaruit voortvloeiende brief wordt hierover niets gezegd. Het is een ‘non-issue’. Maar laten we wel zijn, over de meeste onderwerpen wordt in deze brief niets gezegd. Het is een zeer summiere brief. Het ligt het meest voor de hand dat het onderscheid tussen rein en onrein geen problemen gaf. Het doel van deze brief was om de belangrijkste irritaties tussen Joden en heidenen weg te nemen met als heetste hangijzer de besnijdenis. Het eten van onrein vlees zou beslist een heet hangijzer zijn geweest als daar sprake van was. Het speelde gewoon niet. De meest logische conclusie is dat de heidenen binnen de gemeente zich gewoon aan de reine vleesgroepen hielden. De Joden van deze ‘menggemeenten’ zouden het ook niet geaccepteerd hebben dat tijdens een liefdemaal onrein vlees geserveerd zou worden. En evenzo voor de maaltijden aan huis. Het christendom is gestart als onderdeel van het Jodendom en daarom speelde het niet. Het rein/onrein principe was voor iedereen duidelijk en stond gewoonweg niet ter discussie. De bepalingen over het offervlees en het verstikte gaat alleen over rein vlees dat door het offeren aan afgoden of door het verstikken onrein wordt. Onrein vlees is voor de Joden gelijk aan autobanden of legoblokken. Het is gewoon oneetbaar, het is geen voedsel.

 

Als er over vlees wordt gesproken, gaat het nooit over onrein vlees want dat valt niet onder de term vlees.

 

 

Op basis van de Jeruzalemse vergadering kun je beslist niet concluderen dat het onderscheid tussen onrein en rein voedsel voor de heidenen niet geldt. Het is gewoon niet besproken.

       Stevige kost 1

Vrij van de Wet?, een dogma onder vuur

     Vrij van de Wet?

De Hemelse voedselbank, voedingslessen uit de Bijbel

         De hemelse

         voedselbank