Paragraaf 2.2 en 2.3

De Hemelse voedselbank

2.2 De Mondelinge Leer

 

De Joden gaan er vanuit dat Mozes, naast de vijf boeken die hij heeft geschreven die en wij kennen als de Tora, nog meer van God geopenbaard heeft gekregen wat niet is opgeschreven. Mozes heeft dit alleen mondeling doorgegeven aan Jozua en de oudsten en zij op hun beurt weer aan het volk. Deze mondelinge overlevering wordt de mondelinge Leer genoemd en die heeft zich vanaf de Sinai ontwikkeld. De mondelinge Leer is uiteindelijk rond 200 na Christus door een rabbi, Jehoeda Hanassie, opgeschreven en wordt de Misjna genoemd. Vele rabbijnen hebben commentaar gegeven op de Misjna. Alle commentaren bij elkaar wordt de Gemara genoemd. Aanvankelijk bestonden ook deze commentaren alleen mondeling. Uiteindelijk zijn ook die op schrift gesteld en tezamen met de Misjna in één boek gebundeld. Zo ontstond de Talmoed. De Talmoed is dus de Misjna en de Gemara tezamen in één enorm lijvig boekwerk van ongeveer 6000 pagina’s.

 

Misjna = mondelinge Leer op schrift

Gemara = mondelinge commentaren op de Misjna op schrift

Talmoed = Misjna + Gemara

 

Er zijn twee versies van de Talmoed, de Jeruzalemse - en de Baylonische Talmoed. Deze laatste wordt het meest gebruikt en is voltooid rond 500 na Christus. De Talmoed is dus een gezaghebbend geschrift naast de Tenach, het oudeTestament. Een Jood zal wel belijden dat de Tenach meer gezag heeft dan de Talmoed, anderzijds zal hij ook toegeven dat de Mondelinge Leer van grote invloed is geweest op het Jodendom door de geschiedenis heen tot op de dag van vandaag. Het feit alleen al dat de mondelinge Leer ook wel de mondeling Tora wordt genoemd, geeft iets aan van het gezag ervan.

De Talmoed probeert de Tora uit te leggen en toe te passen op het dagelijkse leven. Daarnaast zijn er zeer veel wetten rondom de Tora bijgemaakt met de intentie te voorkomen dat je een gebod van de Tora zou overtreden. Veel bijgemaakte wetten zijn nauwer en strenger dan de Tora zelf. Als je dus zondigt tegen een bijgemaakte wet uit de Talmoed, dan heb je nog niet gezondigd tegen de Tora zelf. De Tora was en is zodoende veilig ommuurd door deze extra wetten. Achter al die extra Joodse regelgeving zit de houding dat de Tora heilig is en dat je daar zeer zorgvuldig mee om moet gaan. Liever jezelf te weinig ruimte geven waardoor je zeker weet dat je niet tegen de Tora zondigt dan jezelf teveel ruimte geven.

In een bepaald opzicht is de Talmoed te vergelijken met de Catechismus van de Protestantse kerken, zij het dat de Talmoed veel lijviger is. In de loop van onze kerkgeschiedenis zijn er allerlei tradities ontstaan die slechts ten dele in de Bijbel zijn terug te vinden maar waar veel over is te vinden in de Catechismus. Ook de Catechismus is door geestelijke, gezaghebbende mensen geschreven en wordt gebruikt naast de Bijbel. Ook voor protestanten is het gezag van de Catechismus minder dan die van de Bijbel zelf, maar zij is wel van grote invloed geweest op de godsdienstbeoefening van de Protestantse kerken tot op de dag van vandaag.

 

Toen Jezus leefde, was de mondelinge Leer nog niet opgeschreven. Er was dus nog geen Misjna, geen Gemara en dus ook geen Talmoed. Desalniettemin was de Mondelinge Leer zeer bekend en iedereen was erin onderwezen. Deze had duidelijk gezag! Alle Joden hadden hiermee te maken, dus ook Jezus en zijn discipelen. Voor de discipelen was de Mondelinge Leer gezaghebbend, ze waren immers kinderen van hun tijd, maar voor Jezus niet. Integendeel!

 

Als Jezus conflict heeft met de Farizeeën, dan gaat dat conflict over de bijgemaakte wetten van de Mondelinge Leer en niet over de Tora zelf.

 

Jezus heeft conflict over menselijke wetten, niet over de Wet. Wat dit betreft heeft Hij met de Farizeeën een stevig appeltje te schillen. Hij verwijt hen dat zij het volk, door deze extra wetten, ondraaglijke lasten opleggen.

 

Maar Jezus zei: “Wee ook jullie, wetgeleerden! Want jullie leggen de mensen ondraaglijke lasten op, maar raken die zelf met geen vinger aan.” (Luk.11:46)

 

Jezus keurt de gewoonte om wetten bij te maken fel af:

 

‘Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is ver van mij; tevergeefs vereren ze mij, want ze onderwijzen hun eigen leer, voorschriften van mensen. De geboden van God geeft u op, maar aan tradities van mensen houdt u vast.’ En hij vervolgde: ‘Mooi is dat, hoe u Gods geboden ongeldig maakt om uw eigen tradities overeind te houden! (Marc.7:6b-9)

 

Jezus zet heel duidelijk de geboden van God tegenover de geboden van mensen. De geboden van God zijn vastgelegd in de Tora, de geboden van mensen stond bekend als de Mondelinge Leer. De Tora komt van God, de Mondelinge Leer van mensen. Het is voor de omstanders, de discipelen en de Farizeeën duidelijk dat Jezus hun Mondelinge Leer aanvalt en niet de Tora. Als Jezus spreekt over tradities van voorouders, leer van de ouden of voorschriften van mensen, dan wisten de omstanders heel goed dat Hij doelde op de Mondelinge Leer. Alleen wij, die hiervan geen besef hebben, denken dat Jezus gewoon iets willekeurigs aanroert. In die wetenschap kun je de voorgaande tekst als volgt weergeven:

 

‘Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is ver van mij; tevergeefs vereren ze mij, want ze onderwijzen hun eigen Mondelinge Leer, voorschriften van mensen. De Tora geeft u op, maar aan de Mondelinge Leer houdt u vast.’ En hij vervolgde: ‘Mooi is dat, hoe u de Tora ongeldig maakt om uw eigen Mondelinge Leer overeind te houden!’

 

Bovenstaand tekstgedeelte uit Marcus is onderdeel van Jezus’ verdediging als Hij wordt aangesproken op het eten met ongewassen handen. Jezus neemt dus duidelijk standpunt in dat het uitbreiden van het handenwasvoorschrift tegen de Tora ingaat. Hoe pijnlijk is deze les voor zowel de Farizeeën als de discipelen. Ook de discipelen waren gehecht aan de Mondelinge Leer. Voor hen was de Misjna afkomstig van Mozes (volgens de overlevering), en dat was niet zomaar iemand. En de Gemara was afkomstig van gezaghebbende rabbijnen! Hoe moeilijk zouden wij het vinden als Jezus gedeelten uit de Catechismus zou verwerpen?

 

 

2.3 Het visioen van Petrus

 

Veel christenen zien in het visioen van Petrus het moment waarop God alle voedsel rein verklaart. Toch vreemd want Petrus legt namelijk zelf uit wat het visioen betekent dus waarom zouden wij het anders uitleggen? De geschiedenis staat in Handelingen 10. Ongeveer 10 jaar na Christus’ hemelvaart krijgt Petrus een visioen. Tot drie maal toe laat God hem een laken zien met reine en onreine dieren. Petrus krijgt de opdracht om ervan te slachten en te eten. Aan Petrus’ reactie kun je direct concluderen dat hij zijn voedingspatroon na Jezus hemelvaart nooit heeft gewijzigd. Hij antwoord namelijk:

 

“Nee, Heer, in geen geval, want ik heb nog nooit iets gegeten dat verwerpelijk of onrein is.” (vs. 14)

 

Het visioen brengt Petrus in verwarring. Hij kan zich niet voorstellen dat God hem opdraagt onreine dieren te gaan eten. Petrus vroeg zich verbijsterd af wat het visioen dan wel zou kunnen betekenen (vs.17). Dan eindigt het visioen en er is bezoek voor Petrus. Dit bezoek vraagt of Petrus aan Cornelius in Ceasarea het evangelie wil gaan uitleggen. Cornelius was de laatste aan wie Petrus het evangelie zou willen uitleggen. Ten eerste was hij een heiden, ten tweede was hij niet zomaar een heiden maar een Romein. Maar ook niet zomaar een Romein, hij was een leidinggevende militair van het Romeinse leger. Cornelius vertegenwoordigt dus de bezetter. En juist deze man heeft geestelijke honger. Gevoelsmatig moest Petrus dus heel wat overwinnen om naar Cornelius te gaan. Maar er was nog een groot obstakel dat God moest doorbreken om hem, maar later ook de andere apostelen, richting de heidenen te krijgen.

In de mondelinge Leer was er een wet bijgemaakt, namelijk dat je niet met onreinen om mocht gaan. Dat heidenen onrein worden genoemd is beslist uit de Tora te halen maar dat je om die reden niet met hen zou omgaan, staat nergens in de Tora. Integendeel. De Tora roept juist op om goed met vreemdelingen om te gaan (Lev.19:33-34). Het betreft vreemdelingen die te midden van Israel wonen. Vreemdelingen behoorden juist, samen met de wezen en de weduwen, tot een groep waar speciaal naar moest worden omgezien (Deutr.24:17-21). Vreemdelingen mochten zelfs offers brengen aan de God (Lev.17: 9). Joden mochten met hen eten (Deutr.12:15) en onder bepaalde omstandigheden mocht een Jood met een heidense vrouw huwen (Deutr.21:10-13). Maar één ding stond als een paal boven water. Joden mochten in geen geval hun godsdienst overnemen.

Van de vreemdelingen werd op hun beurt gevraagd zich aan de voorschriften in de Tora te houden (Lev.24:22). Ook zij mochten geen bloed, geen onrein vlees eten, enz. Van de vreemdeling werd dus een behoorlijk aanpassend vermogen gevraagd.

De status onrein was trouwens niet exclusief voor heidenen alleen, maar kon met regelmaat ook een Jood betreffen. De Tora staat vol met voorbeelden waarin een Jood voor een bepaalde tijd onrein is. Elke man die een zaadlozing heeft gehad, is tijdelijk onrein (Lev.15:16) evenals een vrouw gedurende haar menstruatie (Lev.15:19). Deze mensen waren niet verstoten maar moesten alleen een aantal maatregelen nemen in de omgang met spullen en andere mensen.

De onreine status van heidenen was op basis van de Tora geen enkele reden om niet met hen om te gaan. Dit was een bepaling uit de Mondelinge Leer. Jezus zelf bevestigt dat heidenen inderdaad onrein zijn, maar dat je er wel mee om kunt gaan. Jezus noemt de Kananese vrouw een hond (zie kaderàdeze is in de leesproef niet opgenomen) maar spreekt wel met haar en geneest bovendien haar dochtertje (Matt.15:26-28). Ook in de ontmoeting met de Samaritaanse vrouw (Joh.4: 9) bewijst Jezus dat hij omgaat met mensen met wie Joden in principe niet omgaan. Jezus doorbreekt ook hierin de Mondelinge Leer.

Terug naar Petrus’ visioen. God legt het visioen zelf aan Petrus uit.

 

Wat God rein heeft verklaard, zul jij niet als verwerpelijk beschouwen. (Hand.10:15)

 

Dan valt het kwartje en Petrus begrijpt dat God niet over voeding spreekt maar over de heidenen. Aangekomen bij Cornelius legt hij allereerst uit wat in de Mondelinge Leer staat (in onderstaande tekst vetgedrukt). Daarna de betekenis van het visioen.

 

U weet dat het Joden verboden is met niet-Joden om te gaan en dat ze niet bij hen aan huis mogen komen, maar God heeft me duidelijk gemaakt dat ik geen enkel mens als verwerpelijk of onrein mag beschouwen.” (Hand.10:28)

 

‘Nu begrijp ik pas goed dat God geen onderscheid maakt tussen mensen, …’ (vs.34)

 

Met andere woorden:

 

God verklaart hier geen voedsel rein maar mensen.

 

De eens onreine heidenen zijn rein en kunnen nu delen in het evangelie van Jezus Christus. Eerder kon het ook niet. De offers die de Joden dag en nacht brachten, golden alleen voor henzelf. Daarmee werden zij voortdurend met God verzoend en dus gereinigd. De heidenen stonden niet onder invloed van de oudtestamentische offers. Het volmaakte Offer van Jezus geldt voor alle mensen van alle tijden en sindsdien zijn ook de heidenen rein. God heeft veel openbaring moeten gebruiken om de apostelen te mobiliseren richting de heidenen. Hier krijgt Petrus een visioen om hem te overtuigen maar ook Paulus krijgt later een openbaring om zover te komen.

 

“Mij is in een openbaring het mysterie onthuld … Het is onder vorige generaties niet aan de mensen onthuld, maar nu door de Geest geopenbaard … (Ef.3:3-4)

 

En wat is dat mysterie?

 

“de heidenen delen door Christus Jezus ook in de erfenis, maken deel uit van hetzelfde lichaam en hebben ook deel aan de belofte, op grond van het evangelie.” (Ef.3:6)

 

Net als Elia door God voorbereid moest worden om naar een heidense weduwe te gaan, zo moest Petrus voorbereid worden om naar de heidense Cornelius te gaan en zo moest Paulus overtuigd worden om apostel van de heidenen te worden.

Voor ons is dit zo logisch, maar dat was het voor de Joden beslist niet. Van oorsprong hebben Joden altijd moeite gehad om hun God te delen met de heidenen. Het hele boek Jona is beeldend voor de aversie van een Jood om een heidens volk te laten delen in Gods genade. Sinds het volmaakte Offer delen de heidenen officieel mee in Gods genade. Gods verrekijker zoemt uit en heel de wereld komt in beeld. Het oude Testament, de toenmalige Heilige Schrift, handelde grotendeels over dit ene volk Israël met hier en daar een kleine doorkijk naar de tijd dat ook de heidenen zouden meedelen. En nu was dat tijdperk gekomen. God moest dit echt openbaren want dat was helemaal nieuw.

 

Het visioen van Petrus heeft voor ons een zeer rijke betekenis: We zijn rein!

 

Eigenlijk jammer dat de meeste christenen dit visioen zo ‘aards’ uitleggen. Wat heb ik eraan dat God onrein vlees rein zou verklaren? Wat heb ik eraan als ik varkensvlees zou mogen eten? Alsof dat mijn leven zou verrijken! Nee, ik word veel liever zelf rein verklaard. Rein, geschikt om het woord van God te mogen horen. Rein, geschikt om te delen in de erfenis. Dààr heb ik wat aan!

       Stevige kost 1

Vrij van de Wet?, een dogma onder vuur

     Vrij van de Wet?

De Hemelse voedselbank, voedingslessen uit de Bijbel

         De hemelse

         voedselbank