Dit artikel verscheen in de UITDAGING nr. 428 - oktober 2019

Getuigen, … hoe dan?

 

 

Tekst: Esther Noordermeer

 

Hoe leg je aan ongelovigen uit waarom jij de stap hebt gezet om christen te worden? Wat is je getuigenis? Met een duur woord heet dat apologetiek: verantwoording afleggen aan je omgeving waarom je gelooft en wat je gelooft.

 

Geen getuigenis is hetzelfde. Logisch, de bekering is een persoonlijke gebeurtenis die voor iedereen weer anders verloopt. Er is geen geplaveid pad wat je aflegt en aan het einde daarvan ben je christen. Bekering is nu eenmaal een persoonlijk proces en een uiterst subjectieve beleving. Dat is direct de kracht van een getuigenis. Je getuigt, vertelt wat er is gebeurd: gebeurtenissen waarin jij de hand van God hebt gezien. Uiteindelijk trok jou dat over de streep of, traditioneler uitgedrukt, kwam je tot overgave. Geen mens kan zeggen dat het niet waar is, je hebt het immers beleefd. Deze subjectiviteit is tegelijk ook de zwakte van elk getuigenis. Wie kan verifiëren dat wat jij hebt ervaren ook werkelijk een God-geleid pad was? Elke gelovige zal dit beseffen. Een getuigenis is krachtig, niet omdat het waterdicht is, maar omdat God er kracht aan verleent. De subjectiviteit, de zwakte van elk getuigenis, kan God echter ook gebruiken, want het is Zijn ‘specialiteit’ is om aan het zwakke kracht te verlenen.

 

Eerst iets rechtzetten. Sommigen menen dat wij moeten getuigen, ook als het niet gewenst is of ongelegen komt. Dit op basis van 2 Timotheüs 4 vers 2: “Verkondig het woord, dring erop aan, gelegen of ongelegen” (NBG). Dit is een klein stukje tekst uit een persoonlijk advies van Paulus aan Timotheüs om dwaalleraars te weerleggen en bij de juiste leer te blijven. Predik de juiste leer ook als sommigen dat niet bevalt. Dat bedoelt Paulus. Als mensen vragen naar jouw geloofsovertuiging, geef dan thuis. Maar deze tekst is geen oproep om het geloof op te dringen aan ongelovigen.

 

Voor de één is de bekering een duidelijk grens, een mijlpaal: het leven voor de bekering zag er heel anders uit dan het leven erna. Zoals bij een beauty make-over: voor … na. In de foto na de make-over is de persoon maar moeilijk te herkennen van de foto ervoor. Paulus is daar een voorbeeld van. Dit soort mensen hebben iets ingrijpends beleefd. Ze hebben wat te vertellen! Het is de meest getuigende tak van het lichaam van Christus. Dan zijn er ook mensen zoals Timotheüs, opgevoed in het geloof en grootgebracht met het Woord. Zo iemand gaat verder op het pad van zijn voorvaderen. Ook zij hebben een verhaal, maar dat heeft wat meer weg van onderricht. Niet voor niets is Timotheüs een jonge leraar in de gemeente van Efeze. Tot slot is er de groep ‘slow-growers’, ongelovigen die langzaam steeds meer van God gaan zien. Ze gaan een keertje naar een kerk, kijken de kat uit de boom, besluiten wat vaker te gaan. Ze doen eens een introductiekring of alfakring en merken dat anderen hen al als christen benaderen en zijn het daar eigenlijk wel mee eens. Ook zij hebben een verhaal of getuigenis, maar dat zal heel anders klinken dan dat van een Paulus of Timotheüs.

 

Daarnaast speelt onze persoonlijkheid een belangrijke rol. De een komt eerst cognitief tot geloof, dat wil zeggen dat het verstand leidend is. Ze doorzien met het verstand dat God waarheid is. Later volgen er gevoelens als ontroering, dankbaarheid of blijdschap. De ander roept tot God vanuit het diepst van zijn ziel. Het verstand komt later. Door goed onderricht krijgt het verstandelijk aandeel van geloven ook een plaats.

 

Bekering lijkt zelfs onderhevig aan mode en is gevoelig voor de geest van de tijd. Hadden onze ouders nog het idee dat de bekering een keus was die tegen de stroom inging, tegenwoordig lijkt bekering zelfs een beetje hip. Je krijgt applaus als jij voor Jezus kiest. Je bent een soort held ‘Kijk mij eens kiezen!’ Ik chargeer natuurlijk, maar zal het toelichten. In de Bijbel lezen we dat het belijden van zonden een onderdeel is van bekering en doop -in de Bijbel horen bekering en doop altijd bij elkaar-: En zij werden gedoopt in de Jordaan terwijl zij hun zonden beleden (Matt. 3:6). Dit zondebesef treedt lang niet altijd op de voorgrond bij doopdiensten, laat staan het belijden van zonden en het verdriet daarover. Soms maak je dat wel mee, een doop waarin iemand werkelijk zonden belijdt en … er gaat kracht van uit! Het maakt indruk. De ene bekering is de andere niet. Er is kwaliteitsverschil.

 

De ‘moderne’ mens neemt Jezus aan om wat Hij voor hem/haar kan betekenen. Dat kan in het begin zo zijn, maar mag niet zo blijven. De vraag Wat kan Jezus voor mij doen? mag bestaan, maar moet op den duur veranderen in Wat kan ik voor Jezus doen? Evenzo de belijdenis Waar ik ben, daar bent U zal vroeg of laat moeten veranderen in Waar U bent, daar zal ik zijn. God is niet onze lakei die ons achterna loopt. Het is andersom, wij zijn een lakei of dienstknecht van Hem. Het is ook niet zo dat het Koninkrijk van God van ons is of wordt. Het blijft van het Koninkrijk van God. Punt. Wij hebben daar alleen deel aan. Hoe geweldig is dat! Je krijgt deel aan iets dat niet van jou is. Ik heb soms de indruk dat gelovigen blijven hangen in de fase van wat-kan-Jezus-voor-mij-doen. Het lijkt slechts nuance, maar dat is het niet. Er zit een denkwereld achter, de denkwereld van deze tijd.

 

De ouderen onder ons kwamen tot geloof omdat de prediker zei dat je zondig was en verloren ging. Dan is Jezus in eerste instantie je Verlosser. Nu ligt dit anders. Voor moderne gelovigen is Jezus meer hun Vriend. Als Jezus alleen je Verlosser is en geen Vriend, dan ben je verlost maar eenzaam. Is Jezus alleen je Vriend en geen Verlosser, dan is dat gezellig maar het brengt je nergens. Beide relaties zijn waar! Eerst je Verlosser, daarna je Vriend of andersom eerst je Vriend en daarna je Verlosser. Als je maar ontdekt dat het allebei waar is.

 

Ben je een Paulus, Timotheüs of ‘slow-grower’? Heb je een cognitieve persoonlijkheid of meer gevoelsmatig? En tot welke generatie behoor je? Het levert allemaal verschillende getuigenissen op met wisselende aantrekkingskracht op ongelovigen. Wat voor gelovigen geldt, is natuurlijk ook het geval bij ongelovigen. Weten zij iets van het geloof of helemaal niets. Heeft iemand een islam, new-age of atheïstische achtergrond? En ook dan zijn er verstands- en gevoelsmensen en komen ouderen uit een andere tijd dan jongeren. Dat betekent dat een Timotheüs die cognitief is aangelegd, heel andere woorden zal kiezen wanneer deze getuigt tegen een student die telkens zijn mobiel checkt op nieuwe berichten of een oude vrouw in een verzorgingshuis die worstelt met doodgaan en het bestaan van God.

 

 

Terug naar de vraag: “Getuigen, … hoe dan?” Het antwoord op die vraag hangt van te veel factoren af om een zinnige leidraad te geven. Al schrijvende wordt het me steeds duidelijker: Wat hebben we het toch nodig dat Gods Geest ons leidt! 

De Hemelse voedselbank, voedingslessen uit de Bijbel